Het was laat in den herfst van 룸보도 het jaar 1420. De zon was reeds lang ondergegaan, zonder zich den geheelen dag ook maar een enkel oogenblik te hebben vertoond. Zij had zich schuil gehouden achter dichte wolken, die door den feilen najaarswind langs het zwerk werden voortgejaagd, en onophoudelijk haar inhoud, afwisselend uit hagelsteenen en regendroppels bestaande, op het aardrijk nederstortten. De straten van de goede stad Haarlem,—want het is daar, dat ons verhaal een aanvang neemt,—welke in die dagen nog niet met steenen bevloerd waren, konden onmogelijk al het gevallen water opeens verzwelgen, en waren in [6]modderpoelen veranderd, terwijl het water zich op de lagere plaatsen verzameld en er diepe plassen gevormd had. De gure herfstwind gierde over de daken en bulderde in de schoorsteenen. De hagelsteenen kletterden tegen de ruiten en deden ze in haar looden lijsten rammelen.

’t Was zeer donker buiten, want van straatverlichting was toen nog geen sprake, en er was bijna niemand buitenshuis; anders zou er althans eenige verlichting geweest zijn, daar na zonsondergang zich niemand zonder brandende lantaarn buiten mocht bevinden. Er was geen levend wezen te zien, trouwens, het was dan ook al te laat in den avond om zonder gewichtige reden het knapperend haardvuur te verlaten, tenzij dan om naar bed te gaan. Af en toe kwam nu evenwel het maantje door de wolken breken en liet een droefgeestig licht vallen op de sombere daken en de getrapte voorgeveltjes, en spiegelde zich een oogenblik in de plassen, die de straten bijna onbegaanbaar maakten. Van lieverlede werden de verlichte bovenramen kleiner in getal, daar de bewoners zich ter ruste begaven, en eindelijk was de geheele stad in duisternis gehuld. [7]

’t Was nacht geworden. De straten waren doodsch en stil. Alleen de torenwachter waakt en overziet de stad, of niet iemand roekeloos met het vuur had omgegaan en brand had veroorzaakt. Doch alles is in orde en van uur tot uur doet hij zijn trompetgeschal hooren, dat echter in het loeien van den wind verloren gaat.

Toch sliep nog niet iedereen.

Daar werd een deur geopend en haastig trad iemand naar buiten. De duisternis scheen hij niet te vreezen, want zonder een oogenblik aarzelens spoedde hij zich, na de deur achter zich gesloten te hebben, de stad in. Haastig en gejaagd ging hij voort, zonder er in het minst op te letten, waar hij liep. Het water spatte onder zijn schreden omhoog, doch hij scheen het niet op te merken. Met gebogen hoofd vervolgde hij zijn nachtelijken tocht, de handen krampachtig samengeknepen en met tranen in de oogen. Telkens verhaastte hij zijn schreden, alsof hij vreesde te laat te zullen komen. De slippen van zijn korten mantel werden door den wind omhooggeslagen en de modder van de straat bezoedelde zijn fijne hozen, doch hij let nergens op. [8]

Plotseling klinken hem voetstappen in de ooren, krachtige, gelijkmatige voetstappen, als van krijgslieden. ’t Zijn de dienaren van den Schout, die de nachtelijke ronde doen, en plotseling schiet het hem te binnen, dat hij vergeten heeft zich van een lantaarn te voorzien. Dat voorspelt hem moeielijkheden, altoos onaangenaam, doch nu dubbel, want hij heeft immers haast. De dood kan er mede gemoeid zijn.

IJlings trekt hij zich terug in een donkeren hoek, tegen de deur van een woning. Wellicht zal hij hier niet opgemerkt worden en zullen de dienaren hem voorbijloopen. Reeds zijn ze hem genaderd en weldra zal hij zijn reis kunnen vervolgen. Doch juist op dat oogenblik breekt de maan door de wolken en doet haar volle licht op zijn schuilhoek vallen.

Wij zien thans dat deze late wandelaar een jongeling is van hoogstens zestienjarigen leeftijd. En hij moet van goede familie zijn, dat bewijst de fijnheid van zijn kleeding. De korte mantel, die met een gouden haak om den hals bevestigd is, en zijn nauwsluitend wambuis zijn van kostbaar laken, fijne hozen bedekken zijn gespierde beenen en de voeten zijn in lange, [9]gepunte schoenen gestoken. Hij heeft een innemend gelaat, dat nu evenwel angst en droefheid teekent. Zijn hoofd is bedekt met een kleine muts, welke zijn blonde krullen volkomen vrijheid laat om hem langs hals en schouders te zwieren. Waarlijk, zoowel zijn kostbare kleeding als zijn fiere houding bewijzen duidelijk dat hij, zoo niet van adellijken huizinge, dan toch zeker eens rijken poorters zoon moet zijn, en dit laatste vermoeden is waarheid, zooals gij weldra uit zijn eigen mond zult vernemen. Want zijn schuilplaats, hoe goed ook gekozen, is door het verraderlijk maantje plotseling in het volle licht gekomen, en de dienaren moesten wel blind geweest zijn, indien zij hem thans niet opgemerkt hadden.

„Hallo, mannen, wacht een oogenblik!” klinkt het op bevelenden toon uit den mond van den bevelhebber. „Daar staat iemand op verdachte wijze tegen een deur geleund, en zeker voert hij daar niet veel goeds in zijn schild. Past op dat hij niet door een vlugge beweging ontsnapt, en brengt hem hier!”

Nauwelijks waren deze woorden uitgesproken, of de mannen verdeelden zich in twee [10]groepen, ten einde een ontvluchting onmogelijk te maken, en naderden nu in schuine richting en van twee kanten den jongeling, die blijkbaar geen kans zag aan de handen der dienaren te ontkomen. Hij deed althans in het geheel geen poging om te ontsnappen, maar liep regelrecht op den aanvoerder toe.

„Ach, heer,” sprak hij beleefd, bijna smeekend, „ik bid u, houd mij niet op. Ik ben ….”

„Geen praatjes, vriendje!” voerde de hoofdman hem gebiedend toe. „Wat moet je daar bij die deur doen, en waarom tracht je je zoo geheimzinnig te verschuilen? Hallo, spreek de waarheid en zoek me geen praatjes op de mouw te spelden, of je zit in minder dan geen tijd onder ’s Graven toren. Hoe heet je en waarom voldoe je niet aan het bevel van de overheid, door een lantaarn bij je te voeren?”

De spraakzame hoofdman vroeg zooveel, dat de jongeling een oogenblik weifelde, welke vraag hij het eerst beantwoorden zou. Maar de bevelhebber was niet alleen zeer woordenrijk, hij was ook erg driftig, en toen hij niet spoedig genoeg antwoord ontving, riep hij luid: