Hij spoedde zich thans met beslistheid voort in de richting, vanwaar al die geluiden tot hem doordrongen. Tastende zocht hij, tot hij de deur gevonden had, die naar het vertrek der spelers voerde, en hij opende haar. Niemand had iets van zijn nadering bemerkt, want de ontstane twist nam ieders aandacht in beslag.

„De winst komt mij eerlijk toe!” schreeuwde Frederik Geyensz., terwijl hij met gebalde vuist tegenover zijn tegenpartij stond, „en niemand is zoo knap, dat hij ze mij uit de handen krijgt. ’t Is eerlijk gewonnen geld!”

„Gestolen geld bedoel je!” schreeuwde de [46]ander, „gestolen, en anders niet. Je bent een dief, een …!”

„Bedaar, Jacob, bedaar,” klonk het bemiddelend van verschillende kanten.

„Komt heeren, geen twist!” riep de waard er tusschen, terwijl hij met een nieuwen voorraad druivensap naderde. „Houdt de kroezen bij en drinkt elkander heil!”

Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of hij deinsde verschrikt wel drie passen achteruit, want op dit oogenblik trad Geraert uit den donkeren hoek, waarin hij stond, te voorschijn en kwam midden in de kamer.

„Schepen Geraert Baerthoutsz.!” riep de waard ontsteld uit en als met een tooverslag ontstond er de diepste stilte. Allen keken den jongen Schepen met spanning en schrik in het ernstige, bleeke gelaat.

Ook Nanning had geen kleur meer op zijn 여주오피 wangen, doch helaas, het was niet van schaamte alleen. Nauwelijks had hij zijn broeder opgemerkt, of pijlsnel drong zich de gedachte aan hem op, dat het een laagheid was van Geraert, om hem zelfs hier met zijn waarschuwingen en raadgevingen te achtervolgen, en dat het [47]een laffe, beleedigende daad van hem was, hem hier, te midden van zijn vrienden, als een klein kind een bestraffing te geven. En zijn door den wijn en het spel verhit bloed steeg hem met ontstuimige kracht naar het hoofd, zoodat hij in een staat van opwinding geraakte, die hem tot verzet prikkelde.

„Jan Alertsz.!” klonk het op gestrengen toon den waard tegen: „Kent ge mij?”

„Den Schepen Geraert Baerthoutsz. zou ik niet kennen?” sprak de waard bedremmeld.

„En kent gij ook de voorschriften van onze stad?” 의정부오피 hernam Geraert op denzelfden gestrengen toon.

„Ik ken ze!” klonk het bijna onhoorbaar terug.

„Dan weet ge ook, dat het verkeerbord een verboden spel is, waarover ge den Schout morgen rekenschap zult moeten geven. Ik, de Schepen 이천오피 Geraert Baerthoutsz. zal zelf uw aanklager wezen. En kent ge ook het uur van sluiten, Jan Alertsz.?”

„Klokslag elven, Heer Schepen.”

„’t Is nu middernacht. Breng dien wijn weg, en gebied uw gasten te vertrekken!” [48]

Deze woorden klonken zoo bevelend, dat er aan geen wederstreven gedacht kon worden. De waard verwijderde zich. Maar nu klonk plotseling de stem van Nanning, die zijn toorn over den hem aangedanen hoon niet kon bedwingen, door het vertrek.

„Blijf, Jan Alertsz., en breng mij, wat ik besteld heb. Ik laat mij niet als een klein kind wegjagen. Breng wijn, zeg ik u!”

Bij die woorden keek hij zijn broeder uittartend aan, doch Geraert vestigde zijn blik met zulk een droevige uitdrukking op hem, dat hij zijn oogen moest neerslaan. „Nanning!” zeide hij zacht en ernstig.

Maar opnieuw bruiste de toorn in Nannings binnenste op, 일산오피 en met een geweldigen vuistslag op de tafel herhaalde hij zijn bevel:

„Breng wijn, Jan Alertsz! Ik wil met mijn vrienden de gezondheid mijns broeders drinken. Breng wijn!” Allen staarden met schrik den schepen aan, nieuwsgierig, wat hij thans doen zou. Maar zij, die gedacht hadden, dat hij den uitval zijns broeders met even heftige woorden beantwoorden zou, hadden zich vergist.

„Gaat allen naar huis, vrienden,” klonk [49]het hun op ernstigen toon toe, „en—speelt niet weer! Nog is de Schout niet van het gebeurde onderricht, nog heb ik het in mijn macht uw naam voor schande te bewaren. Doch verlaat dit speelhol en keert er niet in terug, want het einde is uw verderf. Bedenkt het voor het te laat is. Jan Alertsz., over een kwartier zullen de dienaren van den Schout hier zijn, om te zien, of uw taveerne gesloten is. Wacht u voor de gevolgen!”

Toen keek hij zijn broeder met een vragenden blik aan, als een zwijgende uitnoodiging om hem naar huis te vergezellen, doch Nanning wendde zich toornig van hem af. Vol droefheid verliet hij het speelhuis, om naar zijn woning terug te keeren. Korten tijd later hoorde hij ook Nanning thuis komen en regelrecht naar diens slaapkamer gaan. Voor het eerst in zijn leven bracht deze hem zijn gewonen avondgroet niet.

Geraert begaf zich naar bed. In het voorbijloopen riep hij: „Wel te rusten, Nan!” maar hij kreeg geen antwoord.

Een oogenblik dacht hij er nog over, Nannings kamer binnen te gaan en met hem te [50]spreken, doch bij eenig nadenken begreep hij, dat het beter was, hem eerst wat tot kalmte te laten komen, en stelde het daarom tot den volgenden dag uit. Met een hart vol bekommernis begaf hij zich ter ruste.